| Competentiebeoordeling & assessment verklaard voor studenten. | ||
|
Beoordelen van competenties Het beoordelen van je leerprestaties verloopt in de meeste beroepsopleidingen tegenwoordig anders dan je hoogstwaarschijnlijk gewend bent. Er is sprake van ‘competentiegericht leren’ en dus ook van ‘competentiebeoordelingen’ of ‘assessment’ (over dit laatste begrip later meer). Een beroepsopleiding is gericht op de beroepstaken die bij dat specifieke beroep horen. De bedoeling is uiteraard dat je gedurende je opleiding steeds beter in staat bent om die beroepstaken uit te voeren. Als je in staat bent om deze beroepstaken voldoende uit te voeren, gezien die eisen die er in het werkveld worden gesteld, dan ben je competent. Het door jou aantonen van die competentie leidt uiteindelijk tot het verkrijgen van je diploma. Om competent in de uitvoering van je beroep te worden zul je daarom competenties moeten ontwikkelen. In een competentiegerichte opleiding staat daarom jouw competentieontwikkeling centraal. Bij het beoordelen van je leerprestaties draait het in dat kader steeds om twee vragen: - hoe goed ben je in de uitvoering van de beroepstaken, en wanneer ben je goed genoeg om je diploma te krijgen? - met de ontwikkeling van welke competenties kun jij de uitvoering van die taken nog verbeteren?
Wat zijn competenties? En wat zijn nu precies competenties, zul je je misschien afvragen. Dat is lastig om uit te leggen, want er zijn honderden verschillende definities van. Maar de volgende definitie wordt in het beroepsonderwijs het meest gebruikt: ‘Een cluster van verwante kennis, vaardigheden en houdingen die van invloed is op een belangrijk deel van iemands taak (een rol of verantwoordelijkheid), die samengaat met de prestatie op de taak, die kan worden gemeten en getoetst aan aanvaarde normen, en die kan worden verbeterd door middel van training en ontwikkeling. (Parry 1996)’ Uit deze definitie kun je een aantal aandachtspunten voor jezelf afleiden: - het gaat om je kennis, vaardigheden en houdingen gezamenlijk, en vooral hoe je ze gezamenlijk weet te gebruiken; - je kunt competenties nooit los zien van de taak waar je ze voor gebruikt; - wat zijn de normen waar jouw prestaties aan zullen worden getoetst? - hoe kan ík mijn competenties ontwikkelen?
Beoordelen heeft twee functies Iedere beoordeling geeft informatie over de kwaliteit van geleverde prestaties. Met die informatie kun je verschillende dingen doen. De twee belangrijkste bij het volgen van een beroepsopleiding zijn: - je kunt er van leren hoe je je prestaties (nog) verder kunt verbeteren; - je kunt er – op een gegeven moment – mee laten zien dat je prestaties goed genoeg zijn. Deze laatst genoemde functie: ‘het laten zien dat je prestaties goed genoeg is’, is in de beleving van de meeste studenten de belangrijkste. Met dergelijke prestaties kun je (uiteindelijk) je diploma halen. Volgens veel docenten is juist de eerste functie het belangrijkst: ‘van beoordelingen kun je leren je prestaties te verbeteren’, en dat is waar het in het onderwijs om te doen is (en als je daarmee maar genoeg verbetert dan worden je prestaties vanzelf goed genoeg). Wie er gelijk heeft is niet zo belangrijk. Wel belangrijk is dat geprobeerd wordt om de beoordelingen in een competentiegerichte opleiding zo te organiseren dat beide functies goed tot z’n recht kunnen komen.
Formatieve beoordelingen: leren je prestaties te verbeteren Gedurende je opleiding word je voortdurend beoordeeld. Dat kan uiteenlopen van een losse opmerking bij een presentatie: ‘goed gedaan hoor’ tot een schriftelijke toets over les- en leesstof tot de beoordeling van een compleet door jou zelf opgeleverd beroepsproduct. Van al die beoordelingen kun je leren, tenminste:
Daarom krijg je van docenten in deze opleiding vooral beoordelingen die inhoud hebben: wat ging goed en wat kan beter. In veel gevallen zul je dan ook geen cijfer krijgen. Een cijfer maakt een gemiddelde van je prestatie, en door te middelen verdwijnt de informatie waar je van kunt leren uit het oog.
Dit type beoordelingen worden formatieve beoordelingen genoemd. Formatieve beoordelingen krijg je voortdurend tijdens het onderwijs. Formatieve beoordelingen kijken in de eerste plaats achteruit: je krijgt ‘feedback’. Een formatieve beoordeling vergelijkt met de verwachting die jij (of je docent) van te voren had over het niveau van de prestatie die je zou kunnen leveren. Een formatieve beoordeling kan tegelijkertijd heel positief (‘ontzettend goed voor een eerste keer’) en heel kritisch zijn (‘maar ik heb wel een stuk of tien verbeterpunten voor je genoteerd’). In principe kan iedere beoordeling die je krijgt een formatief karakter krijgen: van iedere beoordeling kun je leren. Maar alleen jij bepaalt of een beoordeling ook echt een formatief effect heeft: door hetgeen je er van leert mee te nemen naar andere (leer)activiteiten.
Summatieve beoordelingen: laten zien dat je prestaties goed genoeg zijn Zolang je op de opleiding zit wordt er natuurlijk van je verwacht dat je je prestaties blijft verbeteren. Tegelijkertijd is het ook belangrijk om regelmatig vast te stellen of je je tot nu toe voldoende hebt ontwikkeld, en op de juiste manier. Daarom worden er door je opleiding af en toe beoordelingen georganiseerd om vast te laten stellen of je prestaties (vooralsnog) goed genoeg zijn. Deze beoordelingsmomenten zijn de summatieve beoordelingen. In summatieve beoordelingen wordt bepaald of je voldoende competent bent in de uitvoering van de beroepstaken. Summatieve beoordelingen worden door de opleiding georganiseerd om beslissingen te kunnen nemen. Die beslissingen gaan (uiteindelijk) over de vraag of je een diploma kunt krijgen. Met summatieve beoordelingen wordt getracht niet (alleen) achteruit te kijken, maar juist vooruit: er wordt vergeleken met de eisen die in het werkveld aan een volwaardig of beginnend beroepsbeoefenaar worden gesteld. Summatieve beoordelingen hebben een ‘feed forward functie’, met een summatieve beoordeling wordt een voorspelling gedaan over hoe jij zou functioneren als je nu als volwaardig beroepsbeoefenaar aan de slag zou gaan.
Ingewikkeld en complex Summatieve beoordelingen zijn ingewikkelde beoordelingen omdat het nooit om het beoordelen van een enkelvoudig resultaat gaat. Het gaat tenslotte om de vraag of je voldoende competent bent in de uitvoering van de beroepstaak. En die beroepstaak is een complex geheel van allerlei subtaken en verschillende verwachtingen uit de omgeving (denk bijvoorbeeld aan verkoper in een grote winkel, die rekening moet houden met de verwachtingen van zowel zijn klanten, als zijn baas én zijn collega’s). En bovendien zet jij bij de uitvoering van één taak meerdere competenties in, die ieder weer bestaan uit een cluster van kennis, vaardigheden én houdingen. Om goed te kunnen beoordelen of jij competent bent in de uitvoering van die beroepstaak moet in de beoordeling dus recht gedaan worden aan al die complexiteit. Daarom wordt die beoordeling niet – zoals je waarschijnlijk gewend bent – georganiseerd met behulp van allerlei losse toetsen, die ieder op zichzelf, of gemiddeld voldoende moeten zijn. Een summatieve beoordeling bestaat uit een procedure waarin allerlei verschillende (toets)resultaten samen worden beoordeeld, door ze te vergelijken met de eisen die (door het werkveld) aan de uitvoering van de beroepstaak worden gesteld. Zo’n procedure wordt een ‘assessment’ genoemd.
Assessmentinstrumenten Het assessment is het procedure die door de opleiding wordt georganiseerd om de summatieve competentiebeoordeling mogelijk te maken. In het assessment moet jij bewijzen dat je prestaties voldoende zijn. Voldoende voor dit moment, of uiteindelijk, voldoende voor het krijgen van je diploma. Hoewel er een grote variëteit aan assessmentinstrumenten bestaat zijn er een aantal basiskenmerken die steeds terugkomen: In een assessment worden jouw prestaties vergeleken met de eisen die worden gesteld in de beroepspraktijk. De beoordeling van jouw prestaties gebeurt door de resultaten te vergelijken met de eisen die in de beroepspraktijk zijn gesteld. Die eisen kunnen op verschillende manieren worden geformuleerd: - een beschrijving van de inhoud van de beroepstaken; - een beschrijving van de competenties die van belang zijn bij de uitvoering van de beroepstaken; - een algemene standaard die eisen beschrijft waar je resultaten altijd aan moeten voldoen, bijvoorbeeld om aan te tonen dat je op ‘HBO-niveau’ functioneert. Doorgaans is er sprake van een combinatie van bovenstaande eisen.
Een assessment is gericht op het geheel Een assessment is gebaseerd op de resultaten uit meerdere, verschillende prestaties. Die resultaten worden gezamenlijk vergeleken met de eisen die worden gesteld aan het beroep. Het gaat om de beoordeling van het geheel, niet om iedere prestatie op zichzelf.
Onafhankelijke beoordelaars In een assessment kunnen losse prestaties door allerlei mensen beoordeeld worden. Dit kunnen begeleidende docenten zijn, praktijkbegeleiders of collega’s en zelfs de student zelf. Maar de beoordeling over het geheel, en de vergelijking daarvan met de eisen uit de beroepspraktijk gebeurd door onafhankelijke beoordelaars. Dit kunnen docenten van de opleiding zijn, maar geen docenten die een belangrijke rol hebben gespeeld in de begeleiding van jouw leerproces. De assessoren staan dus onafhankelijk ten opzichte van jou. Naast docenten van de opleiding kunnen ook deskundigen uit de beroepspraktijk als assessor optreden.
Assessmentinstrumenten zijn er in allerlei soorten en maten, maar er zijn vier basisvormen te onderscheiden, die vooral verschillen in de mate waarin jijzelf mag bepalen wanneer en hoe je je bewijzen verzamelt. In de meeste beroepsopleiding wordt een combinatie van deze instrumenten gehanteerd, maar in bijna alle opleidingen speelt op één of andere manier de portfoliobeoordeling een belangrijke rol.
1. Het assessmentcenter Een assessmentcenter bestaat uit een reeks praktijkproeven die je in korte tijd (doorgaans binnen 1 of enkele dagen) moet afleggen. De praktijkproeven liggen zo dicht mogelijk bij de toekomstige werksituatie, maar er is vrijwel altijd sprake van nabootsing van de beroepspraktijk. De resultaten van de verschillende proeven worden gecombineerd en vervolgens in samenhang bekeken, zodat over het geheel van jouw resultaten een uitspraak kan worden gedaan. Het assessmentcenter wordt door de opleiding voor de studenten georganiseerd, op een door de opleiding vastgesteld moment, en met door de opleiding vastgestelde opdrachten. Jij mag zogezegd niks zelf bepalen. Hooguit kan de selectie van de opdrachten of de beoordelingscriteria per student enigszins verschillen.
2. De proeve van bekwaamheid Een proeve van bekwaamheid bestaat uit een reeks praktijkopdrachten, of één hele complexe opdracht. Deze opdrachten moeten in een reële beroepssituatie worden uitgevoerd, bijvoorbeeld tijdens een stage. Ook hier worden de resultaten van de verschillende opdrachten in samenhang bekeken, zodat over het geheel een uitspraak kan worden gedaan. Voor de proeve van bekwaamheid worden de opdrachten door de opleiding voor alle studenten vastgelegd, maar studenten kunnen zelf het moment en de situatie kiezen waarin de opdrachten worden uitgevoerd (doorgaans in overleg met de praktijkbegeleider), en met door de opleiding vastgestelde opdrachten. Jij mag niet bepalen hoe je je competentie gaat aantonen, maar je hebt wel invloed op het moment waarop en de situatie waarin je een opdracht uitvoert.
3. Portfoliobeoordeling Een portfolio wordt niet door de opleiding gemaakt, maar door een student. In een portfolio verzamel je zelf resultaten van activiteiten die je hebt uitgevoerd, en waarmee jij wilt laten zien dat je competent bent. Voor het vullen van je portfolio kun je gebruik maken van opdrachten die door de opleiding zijn gemaakt, maar je kunt ook je eigen opdrachten bedenken, of gebruik maken van het werk dat je in je werk of je stage toch moet doen. Op een portfoliobeoordeling heb je dus een hele grote invloed. Je mag als student zelf zowel zelf de opdrachten die je gebruikt voor de opleiding zelf selecteren, en je kunt ook zelf bepalen waar en wanneer je deze opdracht uitvoert. Uiteraard worden je resultaten door de opleiding wel vergeleken met door hun vastgestelde eisen, en omdat jij daar rekening mee houdt bij de samenstelling van je portfolio, heeft de opleiding dankzij die eisen toch een grote invloed op de inhoud van jouw portfolio.
4. 360 ° Feedback Bij 360 ° Feedback word je niet beoordeeld op basis van specifieke opdrachten, maar juist op basis van langdurige waarneming binnen de uitvoering van de beroepstaak als geheel. De 360° verwijzen daarbij naar vier verschillende perspectieven van waaruit de waarnemingen dienen plaats te vinden. Deze vier perspectieven zijn: de leidinggevende, een collega, een klant of opdrachtgever en de student zelf (in de rol van medewerker). Dit instrument is in principe bedoeld voor gebruik in de beroepspraktijk, maar afgeleide vormen kunnen ook binnenschools worden gebruikt. Bij 360 ° Feedback wordt de inhoud dus niet zozeer bepaald door het moment en de vorm waarin de beoordelingen plaats vinden. Maar veel eerder in de selectie van de collega en klant of opdrachtgever die voor beoordeling worden gevraagd. Doorgaans mag de student een voordracht van enkele collega’s en klanten of opdrachtgevers doen, de begeleider selecteert daar telkens één uit.
De meeste opleidingen maken een eigen mix van deze instrumenten. Bovendien worden er nog al eens andere begrippen bij gebruikt. |